Namenverzamelen

Hoe worden de namen nu verzameld?


Op de luchtfoto’s waarmee de topografen van het Kadaster het terrein ingaan worden ook de namen vermeld die in het terrein worden verzameld. Dat kunnen plaatsnamen zijn, namen van waterlopen en eilanden, zandbanken, heuvels en gemeenten, gebouwen. Bronnen voor die namen zijn opschriften op plaatsnaamborden of richtingwijzers, of zegslieden die goed met het gebied bekend zijn en verder gemeentelijke instanties en documentatiemateriaal, zoals gidsen van natuur- en landschapsorganisaties.

Weer terug op het bureau in Zwolle wordt de schrijfwijze van deze namen gecontroleerd, mede aan de hand van de schrijfwijze op voorgaande versies van TOP10NL, en wordt voor een uiteindelijke schrijfwijze gekozen. Afhankelijk van de schaal van de kaart komen meer of minder van deze namen in aanmerking om ook daadwerkelijk te worden opgenomen. Op kaarten op kleinere schalen (zoals 1:50 000 of 1:250 000) komen namen van grotere objecten, zoals Veluwe, voor opname in aanmerking, die niet op grootschaliger kaarten thuishoren. In de periode 1950-1980 zijn alle aardrijkskundige namen in Nederland, die op de topografische kaart voorkomen, door de toenmalige Topografische Dienst samen met de Dienst voor de Hydrografie en Rijkswaterstaat de facto gestandaardiseerd. Deze diensten baseerden zich hierbij zoveel mogelijk op de schrijfwijze van die namen zoals die voorkwam in officiële stukken. Vanaf 1980 ligt de spelling van de aardrijkskundige namen in Nederland daarmee in de praktijk grotendeels vast. Namen van topografische objecten in Fryslân vormen een uitzondering. In veel gevallen hebben gemeentebesturen daar Nederlandse naamversies vervangen door de Friese, zoals men die lokaal gebruikte. Deze zijn grotendeels door het Kadaster overgenomen voor
 e topografische kaart.

Het standaardiseren van de namen van topografische objecten is tot voor kort nooit een officiële taak geweest van deze rijksdiensten, maar het is wel uiterst belangrijk geweest dat ze deze taak op zich hebben genomen, ook met het oog op digitale uitwisseling van topografische informatie. We plukken daar nu de vruchten van, doordat de spelling eenduidig is vastgelegd en in registers en gazetteers (indexen van aardrijkskundige namen vergezeld van hun coördinaten en van een

In 1899 verscheen bij uitgeverij Wolters een Aardrijkskundig Woordenboek van Nederland “met toestemming van den heer directeur-generaal der posterijen en telegraphie mede uit officieele gegevens”. M. Pott, “commies der posterijen” stelde het samen als hulpmiddel om poststukken op de goede plek te krijgen (achterin het boek stond, per provincie, een lijst met gemeentenamen).


aanduiding van het soort topografisch object dat deze naam draagt) worden toegepast. Dergelijke gazetteers worden internationaal gebruikt, en doordat wij onze aardrijkskundige namen hebben gestandaardiseerd, weten ze nu ook in het buitenland exact hoe de topografische objecten in ons land benoemd moeten worden.

Volgens de Gemeentewet van 1992 (bij de bepalingen over de inrichting van het buitengebied) zou een gemeentebestuur naast de straatnamen ook namen van topografische objecten in zijn buitengebied kunnen vaststellen. Met het oog op alle moeite en wetenschappelijke studie die aan de standaardisering van de schrijfwijze van deze namen door de voormalige Topografische Dienst (nu Kadaster) en verwante organisaties is verricht, zou met deze bevoegdheid zeer terughoudend moeten worden omgegaan, om te voorkomen dat ons eenmaal gestandaardiseerde namengoed weer op drift raakt en dit stuk cultureel erfgoed verzwakt. Het beschrijven van historische namen (en objecten) dat in veel gemeenten plaats vindt, ondersteunt de identiteit van het gebied en draagt de kennis van de “wortels” van de regio over.